Siberian Husky rasbeschrijving.

 

                                                                                      

 

Oorsprong                           USA

Gebruik                               Sledehond                                                              

Classificatie  FCI               Groep 5 Spitzen en oertypen                                                          

                                              Sectie 1 Noordelijke Sledehonden

                                              Zonder werkproef

 

 

Algemeen voorkomen:

De Siberian Husky is een middelgrote werkhond, snel en vlug op de voeten en vrij en elegant in de beweging.

Zijn matig gedrongen en goed behaarde lichaam, recht opstaande oren en goed behaarde staart wijzen op zijn noordelijke afkomst.

Zijn karakteristieke gangen zijn soepel en schijnbaar moeiteloos. Hij verricht zijn oorspronkelijke taak in het tuig met grote bekwaamheid, waarbij hij een lichte

last met gematigde snelheid over grote afstanden trekt.

Zijn lichaamsafmetingen en vorm geven dit essentiële evenwicht van kracht, snelheid en uithoudingsvermogen weer.

De reuen bij de Siberian Husky zijn mannelijk maar nooit grof; de teven zijn vrouwelijk, zonder zwakheid te tonen.

In goede conditie, met stevige en goed ontwikkelde spieren draagt de Siberian Husky geen overtollig gewicht.

 

Maat/verhouding /gewicht:

Hoogte      Reuen   53 tot 60 centimeter schofthoogte

                  Teven    51 tot 56 centimeter schofthoogte

Gewicht    Reuen   21 tot 27 kg.

                  Teven   16  tot 23 kg.

Het gewicht is in verhouding tot de hoogte. De bovengenoemde maten geven de uiterste hoogte en gewichtslimieten aan, waarbij geen voorkeur wordt gegeven

aan een van de beide uitersten.

Ieder blijk van overdadig bot en gewicht moet bestraft worden. Van opzij gezien (in profiel) moet de lengte van het lichaam van de schouder top tot de achterkant

van de kroep iets langer zijn dan de hoogte van het lichaam, gemeten van de grond tot aan de bovenkant van de schoft .

Eliminatie: reuen met meer dan 60 cm. schofthoogte en teven boven 56 cm. schofthoogte.

 

Hoofd/expressie:

De uitdrukking is kien, maar vriendelijk, geďnteresseerd, en zelfs ondeugend.

 

Ogen:

Amandelvormig, matig uit elkaar en iets schuin geplaatst. Ogen mogen bruin of blauw zijn; een van ieder, de kleuren of ogen met beide kleuren zijn aanvaardbaar.

Fouten: te schuin geplaatste ogen; te dicht bij elkaar geplaatst.

 

           

 

Oren:

Middelmatig groot, driehoekig en hoog op het hoofd geplaatst.

Zij zijn dik en goed behaard,aan de achterzijde licht gewelfd, rechtop staand, met licht geronde punten, die recht naar boven wijzen.

Fouten: oren te groot in verhouding tot het hoofd, te ver uit een geplaatst, niet geheel rechtop staand.

 

Schedel:

Matig groot en in verhouding tot het lichaam; iets gerond de bovenkant en geleidelijk aan smaller wordend van het breedste punt naar de ogen toe.

Fouten: grof of zwaar hoofd; te fijn besneden hoofd.

Stop: duidelijke stop en de neusrug is recht vanaf de stop tot aan de neuspunt.

Fouten: onvoldoende stop

 

Snuit:

Middelmatig lang, dwz de afstand van de punt van neus tot de stop is gelijk aan die van de stop tot aan de achterhoofdsknobbel.

De snuit is matig breed, geleidelijk smaller wordend naar de neus, die noch spits, noch vierkant is.

Fouten: snuit te spits of te grof; snuit te lang of te kort.

 

Neus:

Zwart bij grijze, bruine of zwarte honden; leverkleurig bij koperkleurige honden; kan vleeskleurig zijn bij zuiver witte honden.

De rose-achtige ‘sneeuwneus’ is aanvaardbaar.

Lippen goed gepigmenteerd en nauwsluitend.

Tanden: schaargebit.

Fouten: iedere andere gebitsvorm

 

Hals/bovenbelijning/lichaam:

Hals: matig lang, gewelfd en fier rechtop gedragen wanneer de hond staat.

Wanneer hij in draf beweegt, wordt de hals gestrekt, zodat het hoofd iets naar voren gedragen wordt.

Fouten: hals te kort en te zwaar, hals te lang.

Borst: diep en krachtig; maar niet te breed, met het laagste punt juist achter en op gelijke hoogte met de ellebogen.

Ribben zijn gewelfd, maar opzij vlak verlopend om bewegingsvrijheid te verzekeren.

Fouten: borst te breed; tonvormige ribben, te vlak of te zwak.

Rug: de rug is recht en sterk met een rechte bovenbelijning van schoft tot kroep.

De rug is matig lang, noch kort en gedrongen, noch slap door te veel lengte.

De lendenen zijn sterk en buigzaam, smaller dan de borstkas en de onderbelijning loopt licht op.

De kroep loopt iets af maar nooit zo steil, dat de pasafwikkeling belemmerd wordt.

Fouten: zwakke of slappe rug; opgetrokken rug; aflopende ruglijn.

 

Staart:

De goed behaarde, op een vossenstaart gelijkende staart is iets beneden het niveau van de ruglijn aangezet en wordt gewoonlijk in een elegante halve krul

boven de rug gedragen, wanneer de hond attent is. Wanneer de staart naar boven gedragen wordt, krult hij niet langs het lichaam, noch ligt hij vlak op de rug.

Voor een hond, die in rust is, kan de staart lager gedragen worden.

Het haar op de staart is matig lang, en ongeveer even lang aan de bovenkant, de zijden en de onderkant, zodat de indruk van een ronde borstel ontstaat.

Fouten: een plat op de rug gedragen, of een te sterk gekrulde staart; een te bevederde staart; een te hoog en te laag aangezette staart.

 

Voorhand:

Schouders: het schouderblad is goed schuin gelegen.

De opperarm maakt een lichte hoek naar achteren van schouderpunt naar elleboog en nooit loodrecht ten opzichte van de grond.

De spieren en pezen van de schoudergordel zijn stevig en goed ontwikkeld .

Fouten: steile schouders; losse schouders.

Voorbenen: In stand en van voren gezien, staan de benen op een matige afstand van elkaar, evenwijdig en recht, met de ellebogen tegen het lichaam aan,

noch naar binnen of naar buiten gedraaid. Van opzij gezien staan de middenvoeten wat schuin, met een sterk, maar beweeglijk polsgewricht.

Het bot is stevig, maar nooit te zwaar.

De lengte van het been van de elleboog tot aan de grond is iets meer dan de afstand van de elleboog tot de schoft.

De vijfde teen aan de voorbenen mag verwijderd worden.

Fouten: zwakke middenvoet; te zwaar bot; te wijde of te nauwe stand van de voorbenen; losse ellebogen.

Voeten: Ovaal, maar niet te lang.

De voeten zijn matig groot, compact en goed behaard tussen de tenen en de voetzolen.

De voeten zijn stevig, met dikke voetzolen.

In stand staan de voeten noch naar binnen noch naar buiten gekeerd.

Fouten: slappe of spreidtenen; voeten te groot en te log; voeten te klein en te fijn; naar binnen of naar buiten gedraaide voeten.

 

Achterhand:

In stand en van achteren gezien staan de achterbenen op matige afstand evenwijdig van elkaar.

Het achterbeen vertoont een goed bespierd en krachtig bovenbeen, met een goede kniehoeking en een duidelijke, laag aangezette hak.

Hubertusklauwen, indien aanwezig moeten verwijderd worden.

Fouten: onvoldoende kniehoeking; koehakkig; te wijde of te nauwe stand van de achterbenen.

 

Vacht:

De vacht van de Siberian Husky is dubbel en matig lang en geeft de indruk van een goede pels, die echter nooit zo lang is, dat de scherpe belijning van de hond verdwijnt.

De ondervacht is zacht en dicht, en lang genoeg om de bovenvacht te steunen.

De dekharen zijn recht en liggen enigszins vlak en zijn nooit hard, noch recht van het lichaam afstaand.

Ontbreken van de ondervacht gedurende haarwisseling is toegestaan.

Bijknippen van snorharen en de vacht tussen de tenen en rond de voeten is om een netter uiterlijk te verkrijgen, is toegestaan. Bijwerken van de vacht op iedere

andere plaatst van het lichaam is niet toegestaan en dient streng bestraft te worden.

Fouten: lange, ruwe of warrelige vacht; te ruwe of te zijdeachtige structuur; bijwerken van de vacht, behalve wat is toegestaan.

 

Kleur:

Alle kleuren van zwart tot zuiver wit zijn geoorloofd. Uiteenlopende aftekeningen op het hoofd zijn gebruikelijk, met inbegrip van vele opvallende tekeningen, die

bij andere rassen niet gevonden worden.

 

Gangwerk:

Het karakteristieke gangwerk van de Siberian Husky is soepel en schijnbaar moeiteloos.

Hij is snel en lichtvoetig en moet in de showring aan een losse lijn, in een matig snelle draf worden voortgebracht, waarbij hij goed uitgrijpend gangwerk voor en

een goede stuwing vanuit de achterhand moet tonen. In stap toont de hond geen eensporigheid.

Bij toename van de snelheid neemt de neiging tot eensporigheid toe, waarbij de benen niet gebogen zijn.

In de draf blijft de ruglijn strak en horizontaal.

Fouten: te kort, dansend of stotend gangwerk; rollende, kruisende en krabbende (scheefgaande )gangen.  

 

                                                                                                                                    

 

Karakter:

Het karakteristieke temperament van de Siberian Husky is vriendelijk en zacht, maar tevens levendig en alert.

Hij heeft niet de bezitterneigingen van de waakhond, noch is hij overmatig wantrouwend tegenover vreemden of agressief met andere honden.

Een volwassen hond kan een zekere waardigheid en gereserveerdheid tonen.

Zijn intelligentie, hanteerbaarheid en willigheid maken hem tot een aangename kameraad en een goedwillende werker.

 

 

 

De foto’s zijn van onze eigen honden.

Foto staande husky en filmpje gemaakt door Alice van Kempen.

 

Onderwerpen.                                                 Home.